Sharmila wint Debuutprijs Blog 2: Over sweaters en haarlokken
Twee weken later. Iedereen die ik ken, en nog veel meer mensen die ik niet ken, weten dat ik heb gewonnen. De eerste lawine aan vragen, felicitaties en overpeinzingen is achter de rug. Ondertussen ben ik geenszins gekalmeerd, want ik weet dat het belangrijkste nog moet komen. En zoals meestal is het belangrijkste ook het spannendste.
‘Herwerken’ klinkt alsof ik een flinke hap gras moet herkauwen voor ik hem doorslik, en daarom noem ik het liever anders. Bijschaven, vijlen, polijsten. Allerlei dingen die je ook met een kast kunt doen, vreemd genoeg. Een verhaal bijschaven is heel anders dan het voor de eerste keer schrijven. De eerste keer is alles volstrekt donker, en moet je het verhaal volgen op gevoel, als een onzichtbare draad die soms helemaal verdwenen lijkt, en dan weer vlak voor je neus hangt. Dat is leuk, maar vijlen is minstens even leuk. Want vijlen wil zeggen dat je terug mag naar een plek die je al goed kent en tijdelijk vaarwel had gezegd. Je mag opnieuw kijken naar alles wat je eerder hebt gemaakt. De unieke boog van een hals, de golfjes in het zwembadwater, de manier waarop iemand een sweater over haar hoofd trekt. Hoe een ander personage een hees lachje laat ontsnappen wanneer ze iets grappig vindt, een blik, een stem, het neerzetten van een glas wijn.
Ik heb dit verhaal al vaker opnieuw bezocht. Omdat ik ervan hou, en omdat ik het een paar keer heb veranderd. En ik heb die onzichtbare draad inmiddels behoorlijk te pakken. Dacht ik. Maar Hilda en Anja zijn the real thing. Toen ik hen de eerste keer ontmoette, wezen ze me al op dingen waar ik zelf niet aan had gedacht. Een van mijn personages heeft een bles, bijvoorbeeld. Maar voor een Nederlander is een bles blijkbaar iets wat op een paardenvoorhoofd zit, of zelfs een compleet paard – en dus niet iets wat over een voorhoofd van een meisje kan hangen. Dat moet een lok worden. En zo zijn er meer woorden. Zo veel dat we behoorlijk moeten lachen om het Vlaams dat mijn manuscript doorspekt. En er zijn moeilijkere dingen ook. Waarom gaat die bullebak graag in een park wandelen? Hoe komt het dat die zus zo goed kan opschieten met die ene broer en niet met de andere? Wanneer is het ideale, maar dan ook echt hét ideale, moment voor een kus? We zitten meer dan twee uur rond de tafel en ik keer terug met bladzijden vol notities en een hoofd vol ideeën.
En nu begint het dus opnieuw. Het bijschaven. Het vijlen. Het polijsten. Ik ruik de zoete zeelucht al, en als ik het goed heb, zit mijn hoofdpersonage op dit eigenste moment op me te wachten in haar vensterbank, waar alles begint. Het wordt de allerallerlaatste keer dat we samen op pad gaan. Daarna is het helemaal af. Ik vind het haast een beetje jammer.